reisverslag Tibet
2 augustus - 13 augustus 2004
(Meer reisverslagen? Zie www.hvanoorschot.nl China, Nepal, Thailand, Uganda, Peru, Bolivia, Vietnam en Cambodja)

Dag 7
We vertrekken met regen en onweer. Dag Chengdu. Na drie kwartier vliegen wordt er allerlei onduidelijks omgeroepen in het vliegtuig. Ik versta alleen Chengdu. Als we na 1 ½ uur landen staan we weer waar we vertrokken waren. Dag Chengdu. Het weer in Lhasa was te slecht om te landen. Na een paar uur op het vliegveld ondernemen we een nieuwe poging. Later zal blijken dat onze vlucht naar Lhasa de laatste van die dag was. Geluk gehad. Onderweg zien we de eerste besneeuwde toppen van de Himalaya. Prachtig. In Lhasa landen we in prachtig weer. Waarom konden we hier vanmorgen niet landen???
In Tibet krijgen we ons eerste welkomstsjaaltje omgehangen en gaan we op weg naar Tse Tang en ons eerste klooster. We beklimmen een klein heuveltje en maken dus kennis met de hoogte van 3600 m: vijf stappen, hijg hijg en even rusten. Dit zal de komende dagen slechts langzaam verbeteren en trappen klimmen blijft in heel Tibet een uiterst hijgerige aangelegenheid. Hoe kan iemand hier een berg beklimmen? Hoewel, Leny heeft nergens last van en gaat als een hert. Daar sta ik als brandweerman met goeie conditie! Iedereen heeft een lichte vorm van hoogteziekte met de daarbij horende hoofdpijn. We volgen de raad op om vooral veel te drinken, wat weer leidt tot herhaaldelijke plasstops langs de weg. Daarbij komen nog de fotostops, dus we staan nogal eens stil.

Dag 8
Vandaag bezoeken we het Samye klooster. Daarvoor moeten we per boot, (nou ja, boot, meer een veredelde badkuip) een brede rivier oversteken. Er moet om allerlei zandbanken heen gevaren worden en de overtocht duurt bijna 2 uur! De schuit is afgeladen vol met Tibetanen: uiterst vriendelijke en aardige mensen, prachtige doorgroefde gezichten, kinderen en baby’s. Er wordt volop de borst gegeven, botten met gedroogd vlees afgekloven, gespuugd en gerocheld. En, sorry, maar ze stinken. Ze stinken gruwelijk. Smeren ze die yakboter in hun haar? Je wordt onpasselijk van de stank, maar de mensen blijven uiterst vriendelijk naar je lachen, al staren ze je aan als een bewoner van een andere planeet.
Het klooster is van buiten een bont allegaartje en vooral een hoop rotzooi. Rookwolken kolken omhoog uit een grote kruik waarin sterk ruikende planten als jeneverbes worden geofferd, lees: verbrand. Binnen ziet het klooster er heel anders uit: veel gebedsmolens en Boeddhabeelden. Het ene beeld nog rijker versierd en behangen met nog meer goud en edelstenen dan het andere. Alle beelden en vitrines zijn ook bezaaid met bankbiljetten. De monniken komen duidelijk niets tekort. Er branden honderden yakboterlampjes die de typische ranzige lucht verspreiden, waar zo ongeveer heel Tibet n
aar ruikt. Opvallend veel devotie bij de tientallen pelgrims.
De boottocht terug telt jammer genoeg heel wat minder Tibetanen maar is wel frisser en duurt maar drie kwartier.
Dan gaan we beginnen aan het 2e deel van de reis: Lhasa. We rijden door een breed dal dat zowat helemaal onder water staat. Het moet de afgelopen tijd enorm hebben geregend. Dan doemt daar opeens een van de prachtigste gebouwen van Tibet op: de Potala, het winterpaleis van de Dalai Lama. Maar eerst naar ons verblijf: een traditioneel Tibetaans hotel met veel prachtig houtsnijwerk.
Er blijkt in Lhasa een geweldig westers restaurant, Dunya, geleid door een Nederlander, wat we tijdens ons verblijf in Lhasa nog vaker zullen bezoeken. Nog steeds last van hoofdpijn, dus een beetje op tijd naar bed. Voor meer informatie over het Dunya restaurant:
www.shigatsetravels.com/dunya/index.htm

Dag 9
Naar het heilige der heilige van Tibet: de Jokhang tempel. Eerst het rondje (altijd met de klok mee) over de Barkhor, tussen honderden pelgrims met hun gebedsmolens. Je loopt langs de talloze souvenirstalletjes en dan sta je opeens voor de tempel zelf. Van buiten ziet het gebouw er weer niet uit, maar dat komt ook door de omliggende gebouwen die de Chinezen hier hebben neergezet en die er absoluut niet bij passen. Wel indrukwekkend zijn de pelgrims die hun devotie tonen door zich herhaaldelijk languit op de grond te werpen. Sommige leggen zo zelfs het hele rondje om de tempel af, toch gauw een dikke kilometer!
Binnen het bekende beeld van murmelende en zingende monniken, yakboterlampen, Boeddhabeelden en biddende pelgrims met natuurlijk de onvermijdelijke yakboterlucht. Er ligt genoeg yakboter om de lampen nog een paar jaar brandende te houden en er komt alleen maar meer bij. Alle pelgrims hebben zakken boter bij zich waarmee ze steeds de lampen bijvullen. 
Jammer dat het binnen verboden is foto’s te maken, want hier bevindt zich het originele Boeddhabeeld dat door prinses Wen Cheng in de 7e eeuw uit China naar Tibet werd gebracht. Hier is het file lopen tussen de pelgrims. Maar op het dak heb je een geweldig uitzicht op het Potala paleis.

Dag 10
Opnieuw een rondje Barkhor. Dit verveelt nooit, je ziet steeds nieuwe dingen. Ik koop een prachtig handgeschilderd schilderij, een Boeddhistisch “wheel of life”.
’s Middags gaan we naar het Sera klooster. De gebruikelijke mooie Boeddhabeelden en dan is daar plotseling een zaal vol met zingende monniken in schitterende kledij. Om stil van te worden. Verder naar het debatteerplein. Hier gaat het er heftig aan toe. Monniken debatteren in tweetallen, eentje zit op de grond, de ander praat tegen hem en begeleidt zijn woorden met een geweldige klap in zijn handen en een felle armzwaai. Dat gaat zo meer dan een uur door.

Dag 11
Vandaag denken we genoeg aan de hoogte gewend te zijn voor de klim naar de Potala, het gigantische complex van 13 verdiepingen op een heuvel dat dan ook  overal boven uittorent. Ook van binnen is het een indrukwekkend gebouw met honderden vertrekken. De stupa’s met de graftomben van de verschillende Dalai Lama’s zijn behangen met goud en edelstenen. Ontelbare scripturen, beeldjes en beelden. De gebedsmolens vallen niet eens meer op. Als we buiten komen is ons geluk even op: een hevige onweersbui bezorgt ons een flink nat pak tijdens de paar honderd meter naar de taxi, die je ook hier weer voor een tot twee euro de hele stad door rijdt.

Dag 12
En dan is het tijd voor het volgende deel van de reis: met de jeeps over de Himalaya. Van het geplande vroege ontbijt komt niets terecht, maar we hebben water, koekjes en bananen ingeslagen, dus toe maar. De geplande route langs het Yamdrok-Tso meer is afgesloten, dus er moet 100 km worden omgereden. De weg is puur slecht: zand, grind, modder, keien en kuilen. Jammer van het meer, maar we nemen wel meteen een pas van 5300 m!. Dat bezorgt ons een licht duizelig gevoel, maar verder geen echte problemen. Wel veel blijven drinken. De pas is een woud van gebedsvlaggetjes en hier komen onze fleecetruien en windjacks goed van pas! Na een uur weer een pas van bijna 5000 m en daar krijgen we de eerste problemen met een van de jeeps, iets wat de hele verdere reis niet meer goed komt en voor de nodige oponthoud zorgt. Onderweg lunchen we in een iets minder sjiek restaurant: een lemen hut met een kacheltje dat gestookt wordt met koeienvlaaien. Het is een ongelooflijke modderzooi met veel koeienvlaaien er omheen, maar de "fried rice with egg” smaakt zowaar niet slecht. Niet letten op de teil waarin de borden en stokjes worden "schoongemaakt". Het toilet is achter de hut en meet ongeveer een vierkante kilometer tot de bergen. Wel oppassen voor honden en de onvermijdelijke koeienvlaaien.
We gaan verder en proberen wat tijd in te halen door een short cut. Daartoe verlaten we de inmiddels bereikte asfaltweg en nemen we een zeer onduidelijk kuilenpad. De tijdwinst is volgens mij nihil maar het landschap is prachtig. Veel paarse bloemen en geel mosterdzaad temidden van hoge bergtoppen. Het gaat door rivierbeddingen met woest stromend water en door dorpjes waar de weg niet meer is dan een modderpad. Hoe kunnen mensen hier leven? De muren zijn bepleisterd met de bekende koeienvlaaien, die zo drogen en straks als brandstof zullen dienen. De kleren die de mensen aan hebben zijn volgens mij nog nooit gewassen, maar iedereen lacht en zwaait onophoudelijk.
Eindelijk is daar Gyantse. Dertien uur in een jeep gaat je toch niet in de kouwe kleren zitten, maar we vinden een aardig restaurantje en na een warme douche slapen we als een blok. Volgende dag beetje uitslapen en ’s middags weer een klooster. De kostbaarheden zijn tijdens de Culturele Revolutie weggehaald, maar het gebouw zelf is intact. Hier bezoeken we de Kumbum, een toren met 108 kamertjes, een heilig getal. Hele mooie beelden die eindelijk, wel tegen betaling van 10 yuan, vrij te fotograferen zijn. Prachtig uitzicht vanaf het dak over de vallei. 

 Dag 13
Deze dag voert ons naar Shigatse. Onderweg het klooster even aangedaan wat figureert in Kuifje in Tibet. Wat rondgelopen in het dorp, d.w.z. tussen de modderpoelen door zigzaggen. In Shigatse hebben we een echt luxe hotel. Shigatse is dan ook de 2e stad van Tibet, maar maakt wel een sterk “verchineeste” indruk.

Dag 14
Het ontbijt in het hotel is goed. 20 Yuan en veel beter dan het vorige adres waar het 60 yuan kostte. Soms snap je niets van de prijzen. Even naar de supermarkt voor eten voor morgen en papieren zakdoekjes. Voor 5 yuan (€ 0,50) brengt de taxi ons er naar toe.
’s Middags naar het klooster van Shigatse. Dit is de basis van de Panchen Lama, de 2e man in de hiërarchie. Op dit moment is dat een 15-jarige monnik, die opgevoed wordt in Beijing(!). Hij komt waarschijnlijk over 14 dagen op bezoek en dus wordt alles geschilderd en worden alle doeken en thangka’s vernieuwd en schoongemaakt. Ziet er fleurig uit. Binnen staat het grootste Boeddhabeeld ter wereld: 25 m hoog, weer bedekt met goud en edelstenen. Prachtige stupa’s in de vertrekken met de stoffelijke overschotten van de overleden Panchen Lama’s. De resten van de 5e t/m de 9e liggen bij elkaar in één stupa in een tempel die gebouwd is tussen 1984 en 1986, omdat, jawel,  de oorspronkelijke gebouwen vernield zijn tijdens de Culturele Revolutie. Eeuwig zonde. Veel in dit klooster is dan ook nieuw.
Lekker chinees gegeten en even een nieuw leren horlogebandje aan mijn horloge laten zetten: kosten 10 yuan = 1 euro.

Dag 15
Weer de jeeps in en op naar Tashi Dzong. We nemen 2 hoge passen en de besneeuwde toppen komen steeds dichterbij. Lunch in een Tibetaans eethuis, nou ja eethuis, en een fossiel gekocht. Niet helemaal wat ik zocht, maar alla. Gek dat je hoog in de Himalya zeefossielen kunt kopen.
Dan komt de grootste verrassing van de dag: het beste hotel van het dorp. We slapen met vijven op een kamer op de 1e verdieping. Daar is ook het toilet: 3 gaten naast elkaar in de grond en een schop met een berg zand er naast. Makkelijk te vinden: je hoeft alleen maar op de stank af te gaan. Ook de badkamer is een belevenis, twee bakjes water met een gebroken spiegeltje van 15x15 op de overloop. Hier bewijzen voor het eerst de meegenomen sloop en lakenzak goede diensten.

Dag 16
Goed geslapen ondanks een hele bende gruwelijk blaffende honden die tot 3 uur een hels kabaal maken.
Einddoel vandaag wordt Tingri. Om de haverklap moet van de ene jeep de bobine gedemonteerd worden. De Chinese chauffeur raakt lichtelijk overspannen, maar veel belangrijker is onze eerste blik op de reus der reuzen: de Mount Everest! Hier kijken we al een paar dagen naar uit, maar tot nu toe was-ie zwaar verscholen in de wolken. Nu rijst hij ineens voor ons op. Onmiddellijk stoppen en foto’s maken. Verder richting Mt Everest, naar Rongbuk, het verste punt waar de jeeps mogen komen. Van hier is het nog 8 km lopen naar het base-camp. Na 5 km houd ik het lopen voor gezien en het laatste stuk doe ik achterop een motor. Op het base-camp hebben we net nog even uitzicht op Mt Everest voor hij weer definitief in de wolken verdwijnt. Ik ruil mijn gekochte fossiel in voor een mooier exemplaar, we maken nog wat foto’s van ons hele gezin met de berg op de achtergrond en dan gaan Leny en ik met tweeën tegelijk achterop de motor bij een 14-jarig jochie weer naar
beneden. Gaat toch beter dan lopen. Wel goed vasthouden en jas dicht!
Verder naar Tingri. Nu komen de 4-WD pas echt goed van pas, wat zeg ik: zonder kom je er hier niet door. Een busje wat dit toch probeert zorgt prompt voor een behoorlijke file. Herhaaldelijk gaat de weg (ahum) door de rivier en door diepe moddersporen. Hele stukken voeren door pure keienvelden. Soms zie je een marmot wegschieten en constant dat typische Himalayalandschap: een 3 km breed dal, zo plat als een Nederlandse polder en aan weerszijden bergen, soms sterk geërodeerd.
In Tingri weer het beste hotel van het dorp, wel tweepersoonskamers, geen douche, stromend water of toilet op de kamer, maar met uitzicht op de Mt Everest als er geen wolken zijn. Die zijn er dus wel. Pech. Geluk: de beste frites die ik in Tibet heb gegeten! Het ontbijt is intussen bekend: pancakes met suiker of jam en een omelet.

 Dag 17
Na een laatste blik op de onzichtbare Mt Everest gaan we op weg naar de Chinese grens, Zhang Mu. De 4-WD hoeft niet te worden ingeschakeld en we nemen probleemloos de laatste pas van 5000 m. Je raakt er toch aan gewend, nergens last van.
Vanaf nu gaat het alleen nog maar omlaag richting Nepal. Plotseling wordt het landschap groen, komen er bomen en bloemen tevoorschijn en wordt het landschap spectaculair: diepe kloven, watervallen, steile berghellingen en ijzingwekkende afgronden. Jammer dat het begint te regenen en dat het dal gehuld is in de mist. De weg is spiegelglad, het zicht minder dan 25 m, maar niemand die zijn lichten aan doet! De jeeps gaan door een natuurlijke wasstraat en zien er weer toonbaar uit.
Zhang Mu is een levendig grensstadje dat letterlijk tegen de berghelling zit aangeplakt. Weer een 6 persoonskamer, wel met schitterend uitzicht over een diepe kloof. De ijskoude douche is minder, maar het eten smaakt prima.